Wettelijke verplichtingen

Wie vertegenwoordigt de belangen van de patiënt wanneer hij/zij dat zelf niet meer kan?

  • Vertegenwoordigers in de zorg

    In ons blog over de belangrijkste regels uit de WGBO schreven we er al kort over: de zorginhoudelijk vertegenwoordiger. Wat zegt de wet daar allemaal over?

    Een zorginhoudelijk vertegenwoordiger komt (pas) in beeld als een cliënt zelf niet meer kan beslissen over zijn zorg. De WGBO geeft regels voor vertegenwoordiging bij een zorgovereenkomst. Zo mogen vertegenwoordigers de betrokken cliënt alleen vertegenwoordigen als de cliënt dat zelf op dat moment niet meer kan. Of dat zo is, dient (door de betrokken hulpverlener) van geval tot geval te worden beoordeeld. Dat moet wel kunnen worden uitgelegd en gemotiveerd. Hier heb je als hulpverlener een eigen verantwoordelijkheid.

    In de WGBO worden verschillende vertegenwoordigers aangewezen: een curator, een mentor, een schriftelijk gemachtigde, de partner of levensgezel van de cliënt, en, als laatste, de overige familie (broer, zus, kinderen en grootouders en kleinkinderen).

    De mentor en curator worden in de wet als eerste in de rang genoemd. De mentor en curator worden door de rechter benoemd. Heeft iemand geen mentor of curator, dan moet worden gekeken of er een schriftelijk gemachtigde is.

    Die gemachtigde is volgens de wet de tweede in de rang. De curator of mentor gaat dus vóór de schriftelijk gemachtigde. Deze gemachtigde moet, als die er is, wel daadwerkelijk van tevoren door de cliënt zijn gemachtigd om in zijn plaats op te treden voor het geval de cliënt niet meer bekwaam zal zijn. Als dus en machtiging wordt getekend op het moment dat de cliënt al wilsonbekwaam is, dan geldt die machtiging niet. De wet stelt verder geen nadere eisen aan de machtiging. Wel moet uit de machtiging duidelijk blijken dát deze is gegeven en waarvoor deze is gegeven.

    Is er geen machtiging of is die niet geldig, of treedt de gemachtigde niet op, dan zijn er de echtgenoot of andere levensgezel van de cliënt. Zij zijn wettelijk gezien derde in de rang.

    Als ook de echtgenoot of levensgezel er niet is of niet kan of wil vertegenwoordigen, dan zijn er de personen in de vierde rang. Dit zijn ouders, kinderen, broers, zussen, grootouders of kleinkinderen. De volgorde waarin deze personen worden genoemd, zegt overigens niets. Uiteindelijk bepaal je als hulpverlener wie het aanspreek punt is. Daarbij is het logisch dat je kijkt naar de familieverhoudingen en de band van de familieleden met de cliënt. Meestal is ligt het voor de hand dat iemand die het dichtst bij staat, ook zorginhoudelijk vertegenwoordiger is of kan zijn.

    Meer weten over vertegenwoordigers en vertegenwoordiging bij zorg? Wij vertellen er graag meer over!