Wettelijke verplichtingen

Met welke juridische zaken moet je rekening houden, wanneer je Covid-19 vaccinaties gaat toedienen?

  • Vaccineren

    De afgelopen maanden zijn de eerste vaccinaties tegen COVID-19 (tijdelijk) goedgekeurd en is gestart met vaccineren. Het vaccinatieprogramma roept veel praktische, maar ook juridische vragen op. In deze blog behandelen wij een aantal van deze juridische vragen.

  • Welke regels moeten artsen bij het vaccineren volgen?

    Voor het vaccinatieproces is door het RIVM een richtlijn opgesteld: de Uitvoeringsrichtlijn COVID-19-vaccinatie (hierna: ‘de uitvoeringsrichtlijn’). Hieruit volgt allereerst de indicatie voor COVID-19-vaccinaties: alle personen woonachtig in Nederland en ingeschreven bij de gemeente komen hiervoor in aanmerking. Daarnaast komen ook (onder meer) bijvoorbeeld ongedocumenteerden, asielzoekers en Nederlandse diplomaten en militairen die in het buitenland zijn in aanmerking voor een COVID-19-vaccinatie.

    Hoe wordt de vaccinatievolgorde bepaald?

    Aangezien er in eerste instantie beperkt vaccin beschikbaar is, kan niet iedereen direct worden gevaccineerd. Er is door de overheid een vaccinatiestrategie (of: prioritering) vastgesteld. Deze strategie kan gaandeweg nog worden aangepast. Meer informatie daarover is hier te vinden.

    Wie mogen er allemaal vaccineren?

    Voor vaccineren moet een injectie worden gezet. Het injecteren van personen is een zogenaamde ‘voorbehouden handeling’. In de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) is opgenomen welke BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaren deze handeling mogen verrichten. Dit zijn in ieder geval artsen. Het vaccineren kan door daartoe bevoegde beroepsbeoefenaren worden gedelegeerd aan personen die daartoe niet zelfstandig bevoegd zijn. Steeds blijft dan de wel zelfstandig bevoegde beroepsbeoefenaar eindverantwoordelijk.

    In de hiervoor al genoemde uitvoeringsrichtlijn is opgenomen dat binnen de uitvoerende organisaties een arts verantwoordelijk is voor de uitvoering van de COVID-19-vaccinaties. Artsen kunnen het toedienen van de vaccins delegeren aan bijvoorbeeld een verpleegkundige. De opdrachtverlening en bevoegdheid moeten geregeld zijn binnen de uitvoerende organisatie.

    Hoe zit het met de toestemming voor vaccinatie?

    Voor het zetten van vaccinaties is toestemming van de patiënt vereist. Deze hoeft in beginsel niet schriftelijk te worden gegeven. Een patiënt mag ook niet worden verplicht om deze toestemming schriftelijk te geven. Een uitzondering bestaat voor bewoners van zorginstellingen en kleinschalige woonvormen. Van hen of hun wettelijk vertegenwoordigers is wel schriftelijke toestemming nodig. Hiervoor heeft het RIVM speciale toestemmingsformulieren ontwikkeld. Zie daarover de informatie van het RIVM voor zorginstellingen en voor kleinschalige woonvormen.

    Toch zijn er enkele huisartsen die schriftelijke toestemming vragen aan hun clienten, waarbij zij enkel de vaccinaties zetten wanneer degene die om de vaccinatie vraagt zich goed heeft laten informeren met betrekking tot risico’s en bijwerkingen. Een arts uit Lelystad, beroept zich hierbij op de eed die hij heeft afgelegd, waar op dit moment de IGJ zich over buigt.

    De uitvoerders van vaccinaties (diegenen die prikken) moeten wel in het patiëntendossier opnemen dat de vaccinatie is toegediend. Patiënten moeten verder om toestemming worden gevraagd voor het doorgeven van de vaccinatiegegevens aan het RIVM. Deze toestemming moet wél schriftelijk worden vastgelegd (door deze in het dossier op te nemen of de patiënt een formulier te laten ondertekenen).

    Informed consent? En aansprakelijkheid? Hoe zit dat?

    Daarnaast geldt dat de toestemming van de patiënt ‘geïnformeerde toestemming’ moet betreffen. Dus: er moet sprake zijn van ‘informed consent’. Van informed consent is sprake als de patiënt goed is geïnformeerd over de ‘behandeling’ (in dit geval: de vaccinatie), en daarvoor mét die informatie toestemming geeft. Welke informatie precies in welk geval over een behandeling moet worden gegeven, is niet op voorhand te zeggen.

    In het algemeen geldt dat hoe groter een risico van de behandeling is, hoe eerder dit risico aan de patiënt moet worden gemeld. En ook hoe méér moet worden verteld. Of en in hoeverre de patiënt dus iets moet worden verteld, hangt af van de aard van het risico en de kans dat het risico intreedt. Voor meer informatie over bijwerkingen die optreden per vaccin kun je terecht bij Lareb.

    Een beslissing over welke informatie (dus bijvoorbeeld over risico’s of mogelijke bijwerkingen) wordt gegeven, ligt bij organisatie die is belast met de uitvoering van de vaccinaties. Niet bij de individuen die ‘prikken’. Die organisaties zijn als gezegd meestal de GGD of de huisartsenpraktijk. Deze partijen zijn namelijk de contractspartij van de patiënt. Als je dus bijvoorbeeld op oproepbasis wordt ingezet voor het zetten van vaccinaties, heb je dus niet zelf een geneeskundige behandelingsovereenkomst met de patiënt. Je bent dan juridisch gezien hulppersoon van de GGD of de huisartsenpraktijk.

    Dat de GGD of de huisartsenpraktijk ook de contractspartij van de patiënt is, is van belang voor eventuele aansprakelijkheid. Want als er iets niet goed gaat, geldt als hoofdregel dat de patiënt de contractspartij aanspreekt voor een eventuele schadevergoeding. Niet de individuele ‘prikker’.

    Tot zo ver. Wij snappen het als hierover nog vragen zijn. Natuurlijk beantwoorden wij die graag!